Bestuurders van verenigingen en stichtingen opgelet: uitbreiding van aansprakelijkheid is in aantocht!

M. (Milad) Hamidy

M. (Milad) Hamidy

Geplaatst op

1 minuten

Eerder deze maand heeft de Eerste Kamer het wetsvoorstel Wet bestuur en toezicht rechtspersonen aangenomen. De verwachting is dat deze wet begin 2021 in werking treedt.

Het wetsvoorstel is gestoeld op de gedachte dat de wettelijke regels ten aanzien van het bestuur en toezicht op een aantal punten niet volstaan voor alle rechtsvormen. Voor een aantal aspecten van bestuur en toezicht geldt namelijk dat deze wettelijk wél geregeld zijn voor de NV en de BV, maar dat een dergelijke regeling voor andere rechtsvormen nog ontbreekt of onvolledig is. Het gaat dan om de vereniging, de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij en de stichting. Voor deze rechtsvormen heeft het wetsvoorstel belangrijke gevolgen.

Uitbreiding aansprakelijkheid bestuurders vereniging en stichting

Het wetsvoorstel bevat onder andere een belangrijke uitbreiding van de aansprakelijkheidsregeling van bestuurders en commissarissen van de niet-commerciële vereniging, stichting, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij. Deze uitbreiding houdt in dat bestuurders en commissarissen van deze niet-commerciële rechtsvormen (dat wil zeggen dat die niet onderworpen zijn aan de heffing van de vennootschapsbelasting) bij een faillissement door de curator aansprakelijk kunnen worden gehouden voor het tekort in de boedel wanneer zij hun taken kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld. Onder het huidige recht geldt deze regel enkel ten aanzien van bestuurders van commerciële verenigingen en stichtingen, oftewel de BV en de NV. Daar komt met het wetsvoorstel dus verandering in.

Wanneer aansprakelijk?

Voor een geslaagd beroep op deze vorm van aansprakelijkheid is nodig dat:

  1. er sprake is van kennelijke onbehoorlijke taakvervulling;
  2. de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement.

In beginsel ligt de bewijslast van deze elementen bij de curator. Mocht echter blijken dat het bestuur niet heeft voldaan aan de deponerings- en/of administratieplicht, dan wordt de curator geholpen met de bewijslast door een zogeheten ‘wettelijk bewijsvermoeden’. Dit houdt in dat wanneer het bestuur niet aan de deponerings- en/of administratieplicht heeft voldaan, (automatisch) sprake is van een onbehoorlijke taakvervulling (i) en wordt vermoed dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement (ii).

Dit bewijsvermoeden is niet van toepassing op de bestuurders en commissarissen van de niet-commerciële verenigingen en stichtingen. Voor bestuurders en commissarissen van verenigingen en stichtingen die in (sectorspecifieke) regelgeving aan een jaarrekeningenplicht zijn onderworpen (denk aan woningcorporaties, onderwijsinstellingen, zorginstellingen en pensioenfondsen), geldt het bewijsvermoeden weer wél.

Binnenkort zal door mijn kantoor nader aandacht worden besteed aan dit onderwerp middels een publicatie en een webinar. Mocht u hierin geïnteresseerd zijn, dan kunt u zich aanmelden via hamidy@bierman.nl.

Wet Franchise: goodwill en non-concurrentie

Gerelateerd bericht:

Wet Franchise: goodwill en non-concurrentie