Horecasluiting als gevolg van de coronacrisis: is er recht op huurprijsverlaging?

K.J.T. (Karel) Boersma

K.J.T. (Karel) Boersma

Geplaatst op

1 minuten

Belangrijk nieuws voor huurders en verhuurders: op 31 maart 2021 heeft de Rechtbank Limburg vragen aan de Hoge Raad gesteld waarmee – hopelijk – duidelijk wordt of een huurder van een horecagelegenheid recht heeft op huurprijsverlaging als gevolg van de sluiting wegens de coronacrisis.

 

De rechtbank stelde de Hoge Raad de volgende vragen:

  1. Dient de als gevolg van de coronacrisis van overheidswege opgelegde sluiting van de horeca beschouwd te worden als een gebrek in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW?
  2. Zo ja, aan de hand van welke criteria moet dan de mate van huurprijsverlaging worden beoordeeld?
  3. (Of) vormt de beperking in het gebruik van het gehuurde een onvoorziene omstandigheid die tot huurprijsvermindering kan leiden?
  4. Zo ja, welke omstandigheden van het geval wegen mee bij het bepalen of verdelen van de schade?

In al eerdere gepubliceerde uitspraken werd geoordeeld dat een huurder (in beginsel) recht heeft op huurprijsvermindering. Dit omdat er sprake is van een gebrek of van onvoorziene omstandigheden. Hierbij rust wel de stelplicht en de bewijslast op de huurder om het omzetverlies aan te tonen. Ook dient rekening te worden gehouden met de overige omstandigheden, zoals bijvoorbeeld de tegemoetkomingen die de huurder heeft ontvangen vanuit de overheid (met name de Tegemoetkoming Vaste Lasten). In veel gevallen heeft de huurder recht op een vermindering van de huurprijs met 50%, maar een andere onderverdeling (zoals 25%) komt ook voor.

In veel huurcontracten is de mogelijkheid van huurprijsvermindering wegens een gebrek uitgesloten. Hierdoor schiet een huurder niet veel op met de vaststelling dat er sprake is van een gebrek. Daarom wordt in diverse uitspraken geoordeeld dat er sprake is van zowel een gebrek als van onvoorziene omstandigheden.

 

“Omdat de juridische inbedding bepalend is voor de maatstaven waarlangs deze en soortgelijke kwesties moeten worden beoordeeld, acht de kantonrechter het zinvol om daarover prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen. Voorts zijn er over deze kwestie momenteel landelijk veel rechtszaken en de verwachting is dat er nog vele zullen volgen. Ook dat rechtvaardigt het stellen van prejudiciële vragen.”, aldus de rechtbank Limburg in diens vonnis van 31 maart 2021.


Het is nu afwachten op de antwoorden en de beslissing van de Hoge Raad. Uiteraard houden wij u op de hoogte.

Waarschuwingsplicht in de wet Kwaliteitsborging (WKB): wat is de consequentie voor aannemers?

Gerelateerd bericht:

Waarschuwingsplicht in de wet Kwaliteitsborging (WKB): wat is de consequentie voor aannemers?